Blogs Persoonlijk Werk

Publicatie TGE: ‘You can only go as fast as the slowest part of you feels safe to go’

29 maart 2020
Blog - Publicatie TGE - Hulp bij eetstoornissen

Bij het bestuur van WEET, Nederlandse patiëntenvereniging voor eetstoornissen kwam een aantal maanden de volgende vraag binnen vanuit het Tijdschrift voor Gezondheid en Ethiek (TGE): ‘wil iemand van jullie voor ons tijdschrift vanuit eigen ervaring commentaar leveren op onderstaande casus over een 21-jarige vrouw met anorexia nervosa. Omdat ik van schrijven houd, open ben over mijn verleden met een eetstoornis en geloof dat ik hiermee anderen iets te bieden heb, beantwoordde ik (destijds nog bestuurslid) de vraag met ‘ja, ik wil dit erg graag doen’. En zo sta ik nu met mijn commentaar in de uitgave die net is uitgebracht: Jaargang 30 . nr. 1 .  2020. Ben je benieuwd naar mijn commentaar, zo ook die van een kinder- en jeugdpsychiater en kinderarts, klik dan hier.
Hieronder vind je naast de casus ook mijn commentaar.

De casus 
Lucie (21) is vrijwillig opgenomen op een GGZ-afdeling, die gespecialiseerd is in zorg voor mensen met een eetstoornis. Ze lijdt aan anorexia nervosa, een aandoening die gekenmerkt wordt door een laag gewicht en verstoord beeld van haar eigen lichaam. Lucie heeft een gemiddelde lengte, weegt 47 kg en heeft een BMI van 14.9, wat zeer ernstig te noemen is. Lucie heeft periodes van haar middelbare school gemist, is bovengemiddeld intelligent en probeert haar VWO komend jaar af te ronden.
Als de behandelaar vraagt naar haar toekomstbeeld, antwoordt Lucie: ‘Ik wil heel graag leven, want ik wil dierenarts worden!’ Toch lukt het haar niet om een ‘normaal’ gewicht te hebben en te hou- den en wordt haar gedrag rondom eten, door de zorgverleners, als manipulatief ervaren. Ze zegt te willen leven, maar laat bij de GZ-psycholoog weinig motivatie voor behandeling zien.
Lucies vader heeft een drukke baan en haar moeder draagt vooral de zorg voor Lucie en de andere kinderen. Bij een gesprek met Lucie en haar moeder blijkt de band tussen beiden uitermate hecht en intens. Tijdens een ander gesprek met beide ouders, blijkt dat vader zich soms wat buitenspel voelt staan. Moeder verwijt vader dat hij er heel vaak niet is en ze geeft toe dat ze het moeilijk vindt om de eetstoornis van haar dochter te begrenzen. Op een ander moment in het gesprek lijkt ze te ontkennen dat haar dochter een levensbedreigend probleem heeft.
De zorgverleners staan voor verschillende dilemma’s, zoals: ‘Hoe kunnen we de ouders betrekken bij de zorg voor Lucie?’ ‘Wat is de zin van behandeling van iemand die geen motivatie lijkt te hebben voor een behandeling, en: is er een alternatief?’

Mijn reactie: ‘You can only go as fast as the slowest part of you feels safe to go’
Ik zie me nog zitten, achttien jaar geleden, in de auto bij mijn moeder en met mijn armen over elkaar. ‘Ik ga echt niet aankomen en zeker niet eten wat die vrouw zegt. Ze heeft zelf een eetprobleem, zo dun is ze. Bovendien stinkt het daar in die kamer.’ Dat is was ik zeg. Mijn moeder vertelde mij jaren later dat de moed haar op dat moment in de schoenen zonk. Mijn ouders hadden zo gehoopt dat door de hulp bij deze GGZ-instelling de eetstoornis in de kiem kon worden gesmoord. Ik dacht daar echter anders over. Ik zat al een half jaar in mijn kracht. Ik kon iets, ik kon afvallen. Dat de complimentjes langzaam plaats maakten voor zorgen en ruzies nam ik voor lief.

Toen ik een jaar later, op negentienjarige leeftijd, op kamers ging wonen, werd de invloedsfeer van mijn ouders zeer beperkt. Ik was daar blij mee, maar het maakte mijn ouders angstig. ‘Zou Yvette vrijdags nog thuiskomen?’ Mijn moeder was zo bang mij letterlijk te verliezen. Als ik dat toen had geweten, had ik haar voor gek verklaard. Hoe kwam ze erbij, ik deed toch alles nog! Studeren, werken, met vriendinnen afspreken en nog zoveel meer. Nu, een aantal jaren hersteld van de eetstoornis, kan ik slechts zeggen: ‘Mama, je zorgen waren meer dan terecht. De eetstoornis deed mij spijtig genoeg lange tijd anders denken.

Met de jaren en maanden kwam het inzicht dat de eetstoornis misschien toch niet zo aardig voor me was. Maar inmiddels had de eetstoornis me volledig in de greep. Het was zowel mijn vriend als vijand. Mijn vriend wanneer ik op zoek was naar bescherming, con- trole, veiligheid of afleiding, ook wel de functies van een eetstoornis genoemd. Daarentegen was het mijn vijand als ik boodschappen deed, op zag tegen een lunch buiten de deur, kortom op de momenten dat ik volledig in beslag werd genomen door al het gepieker over wel en niet eten.

Motivatie
Uiteindelijk heb ik met enige externe druk op eenentwintigjarige leeftijd zelf de stap naar de hulpverlening gezet. Diverse behandeltrajecten volgden in de elf jaar daarna, want de eetstoornis met al zijn functies bleek bij mij sterk en hardnekkig. Ik wilde oprecht van mijn eetstoornis af, maar de hiervoor noodzakelijke uitdagingen aangaan lukte geregeld niet. Niet omdat ik niet gemotiveerd was, maar omdat ik nog niet zover was. Het was vaak te spannend of ik miste de tools. Wat me hielp, was dat ook het niet lukken en mijn onvermogen er bij behandelaren mochten zijn. Mijn gedrag werd niet afgewezen of werd niet gezien als ‘je hebt niet vol- doende je best gedaan’. Er werd samen met mij gekeken naar het waarom, vanuit mildheid. Ik was immers al streng genoeg voor mezelf.

Iedereen die worstelt met een eetstoornis wil herstellen. Al is die motivatie soms slechts voor 2% aanwezig, hij is er. Het ergste wat een behandelaar dus tegen mij kon zeggen, was dat ik niet voldoende mo- tivatie liet zien. Ik wilde juist de eetstoornis heel graag loslaten. Waarom dat niet makkelijk is, wil ik uitleggen aan de hand van de definitie van motivatie: ‘de wil om iets te bereiken’. En laat de eetstoornis nu ook een heel duidelijk doel hebben. Een doel dat vaak haaks staat op de wil om te herstellen. Als je dat als behan- delaar, cliënt en naaste doorhebt, kan er een prachtige samenwerking ontstaan. Ga op zoek naar de functies van de eetstoornis, waarom iemand doet wat hij doet. Kijk voorbij de gedragingen die de eetstoornis typeren, denkend aan niet eten, eetbuien, maar ook aan het liegen, sjoemelen en manipuleren. Geeft de eetstoornis iemand de noodzakelijke controle om haar zelfbeeld overeind te houden? Ga dan samen op zoek naar gezondere manieren om die controle te ervaren. Ga samenwerken met de eetstoornis. Herstel vraagt tijd, liefdevolle betrokkenheid en vooral de juiste timing. Sluit aan bij de cliënte en dwing niet af. Dat is voor mijn herstelproces van onschatbare waarde geweest.

Timing
De vraag uit de casus vind ik niet eenvoudig te beantwoorden. Het eerste wat ik me afvraag is of Lucie wil dat haar ouders worden betrokken bij haar behandeling. Mijn ouders wisten weinig van de behandelingen die ik doorliep. Dat deed ik doelbewust. Ik kon er niet over delen. Het contact met mijn moeder was ambivalent, het contact met mijn vader op emotioneel vlak afwezig. Ik had deze relaties eerst zelf te onderzoeken. Ik ben nog altijd blij ik vanuit de hulpverlening nooit ‘ge- dwongen’ ben mijn ouders te betrekken. Mijn moeder vond het moeilijk dat zij pas in het staartje van mijn behandelperiode erbij betrokken werd, maar ik was er niet eerder klaar voor. Ook hier komt het begrip timing terug. Zorg dat je als behandelaar en naaste aansluit bij degene die worstelt met een eetstoornis. Blijf er naast staan en voorkom strijd. En nee, dat is niet makkelijk. Maar onthoud dan goed: ‘You can only go as fast as the slowest part of you feels safe to go.’

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply