Blogs Persoonlijk

Mijn leven als turnster en de impact hiervan op mijn latere leven…

5 januari 2020

De aanleiding voor het schrijven van deze blog ligt bij zowel het tv-programma Meer dan goud, de tv-documentaire ‘TURN!’ en een aantal recente artikelen in de Volkskrant over topsport en eetstoornissen. Ik schreef bij één van mijn berichten hierover op LinkedIn: “Dat er binnen de (top-) sport echt meer aandacht nodig is voor de mentale en emotionele begeleiding van de sporter rondom voeding in relatie tot het komen tot prestaties werd me nogmaals duidelijk toen ik dit jaar het tv-programma ‘Meer dan Goud’ zag. Zowel Kim Lammers, Elis Ligtlee als Leontien van Moorsel vertelden over de pijnlijke gevolgen van de druk die er tijdens de uitoefening van hun sport op hun gewicht, lichaam en voeding werd gelegd. Ik vond dit pijnlijk om te zien. Het herinnerde me aan mijn eigen verleden binnen de topsport (turnen). Ook toen werd er slechts gehamerd op onze fysieke prestaties (en op ons gewicht en eetpatroon) en was er onvoldoende begeleiding op andere onderdelen van ons als sporter, en nog belangrijker ons mens zijn. Over dit verleden binnen de topsport deze blog. 

Wij in ons eigen wereldje, een wereld waar het je werd afgeleerd erover te praten
Ik ga met deze blog terug naar de jaren 1990 tot 1995. Ik was toen 7 tot 12 jaar oud. Net als mijn vier jaar oudere zus ging ik bij de turnselectie nadat ik er bij de gymnastiek uit was gepikt vanwege aanwezig talent. Langzaam breidden de uren training zich uit naar ± 25 uren per week. In mijn herinnering was er één dag in de week geen training en in de weekenden trainden we tweemaal per dag. Dit betekende dat ik consessies moest doen wat betreft mijn speeltijd buiten school, dat deelname aan sportdagen afgeraden werd vanwege risico op blessures, dat mijn ouders als brugman moesten praten om mij wel naar een schoolreisje met overnachting te laten gaan en dat ook wanneer we op vakantie gingen er doorgetraind moest worden. Ik kan me de schriftjes met oefeningen die we meekregen nog goed herinneren. Alles om de top te bereiken, want dat was het doel van onze trainers met ons als turnsters. Ik kan me echt nog momenten herinneren dat ik dit leventje echt niet leuk vond. Maar wat mijn zus een aantal jaren geleden schreef in het boek ‘De onvrije oefening’ die ik van haar kreeg – en geschreven door twee oud-topturnsters – was zo tekenend: “Heel herkenbaar boek! Wij in ons eigen wereldje, een wereld waar het je werd afgeleerd erover te praten.” Mijn moeder is echt geschrokken van de verhalen die mijn zus en ik over deze turnperiode vertelden nadat wij gestopt waren. Als ze dat had geweten had ze ons er mogelijk wel eerder ‘afgehaald’, maar ze wist het niet. En zeker zullen we vast ook genoeg leuke momenten hebben meegemaakt.

Vaker, beter, sneller, strakker, dunner: zou ik ooit goed genoeg zijn?
Nee, ik zou nooit goed genoeg zijn. Hoe hard ik ook trainde, hoezeer ik mijn best ook deed, hoeveel pijn ik ook doorstond. Ja, ik eindigde bij een wedstrijd vrijwel altijd in de top 10 van Nederland, maar dat podium heb ik nooit op mogen stappen. Ik niet, maar een teamgenootje wel. Wat zag ik tegen haar op en wat was ik vaak jaloers op haar en de aandacht die zij ogenschijnlijk vaker kreeg van onze trainsters. Ik stond in haar schaduw en moest het afleggen. Ik voelde me hierdoor vaak de mindere. Je zou nu tegen me kunnen zeggen: “Maar Yvette, bij de top 10 van Nederland horen is toch ook super goed.” Dat klopt zeker, maar op deze wijze werden we niet getraind en zo werden we tijdens wedstrijden ook niet beoordeeld. Tijdens trainingen konden alle oefeningen altijd vaker, beter, sneller en strakker worden uitgevoerd. Op elk detail werd gelet. Al stond er maar één teen scheef, daar werd direct op gehamerd. En bij wedstrijden begon je destijds nog met een 1o, maar bij elke fout kreeg je puntenaftrek. En begrijp me niet verkeerd, als je de top wilt bereiken, dan moet je hier veel voor doen en laten. Maar jeetje, een beetje meer begeleiding op emotioneel en mentaal vlak was fijn geweest. Aandacht voor mij als persoon ipv. voor mij als turnster met een lichaam wat tot prestaties moet komen.

Heersende angstcultuur met als gevolg mezelf opsluiten op het toilet
Jarenlang ben ik me niet bewust geweest hoeveel angst ik heb gevoeld in de gymzaal. Voor mij was het heel gewoon wat zich daar afspeelde. Het was mijn wereld. Ik had geen ander referentiekader. Wist ik veel. Pas tijdens therapie voor mijn eetstoornis kwam ik hierachter. Er kwamen herinneringen boven en tijdens een visualisatie kon ik me nog helder voor de geest halen hoe het in de gymzaal rook naar zweet en magnesium, wat waar in de ruimte stond, welke geluiden er te horen waren en hoe er naar ons werd gesproken. Ik vond het dan ook zeer moeilijk te erkennen dat het niet normaal was dat ik me opsloot in de wc toen ik niet terug de zaal in wilde, dat ik na een flinke val van de brug er in paniek en huilend weer op werd gezet, dat ik ook met een verstuikte enkel en pijn verplicht werd te komen trainen. Lang dacht ik dat ik deze ervaringen had verzonnen. Kortom, ik was bang voor de trainers. Voor wat zij van mij zouden vinden, of ik het wel goed genoeg deed, of ik wel in de selectie mocht blijven of om bang om op mijn donder te krijgen met als gevolg straftraining of een nare opmerking. Nu besef ik me dat ik me in een machtsrelatie bevond. Ik was als jonge turnster afhankelijk van de trainers. Dat dit gevoelens van onveiligheid heeft opgeroepen ligt voor de hand.

De focus op voeding, mijn gewicht en mijn lichaam
Ik kan me het ‘weegkamertje’ nog goed herinneren. De plek waar we geregeld de weegschaal opstapten. Ik weet niet wat er precies met de getallen werd gedaan door de trainers, maar ik weet wel dat aankomen me angst inboezemde. En ook dat ik ervan baalde dat ik zwaarder was dan het teamgenootje waar ik eerder over schreef. Dat er daarnaast geregeld opmerkingen als “wie nu een rode kop heeft, is te dik” werden gemaakt, maakte het er niet beter op. Want ja, ik kreeg en krijg nog altijd een rode kop bij inspanning. Voedingsadviezen werden er ook meegegeven. Zo mocht ik in mijn beleving nooit de snoepzakjes aannemen aan het einde van een kinderverjaardag. Ook ben ik wel eens met een traktatie vanwege mijn verjaardag naar huis gestuurd door, omdat deze volgens de trainers te vet was. Terwijl mijn moeder en ik hier juist zoveel aandacht voor hadden gehad. Wat was ik toen verdrietig. En dan was er nog de tassenconrole op snoepgoed wanneer we op trainingsstage gingen. De focus op mijn lichaam was enerzijds logisch gezien turnen een esthetische sport is. Maar tot welke grens en prijs? Wat nu als je  als kind op deze wijze het idee krijgt dat je lichaam (en gewicht) is wie je bent en bepaalt of je goed genoeg bent? Dat je gewend raakt aan de harde hand? Want ook ik werd – net als één van de jongens te zien in de documentaire TURN!’ 
– wel eens huilend de spagaat in gedrukt. 

De impact van deze turnperiode op mijn verdere leven
Niets is met zekerheid te zeggen, maar ik verwacht wel dat deze periode een voedingsbodem is geweest voor een aantal ongezonde patronen die ik ontwikkelde nadat ik op mijn elfde of twaalfde stopte met turnen. Zo ben ik de externe strenge, veeleisende en negatieve stemmen van de trainers gaan internaliseren. Ik ben mezelf intern gaan terroriseren zeg ik achteraf wel eens. Mijn puberteit ben ik faalangstig, vol onzekerheden, met een sterke en negatieve criticus en een volledige focus op presteren op de middelbare school doorgekomen. Ook was ik omgevingen altijd aan het scannen op veiligheid en ik had een hekel aan een gespannen sfeer. Situaties waarin er sprake was van hiërarchie kon en kan ik nog altijd slecht verdragen. Dit geldt ook voor situaties waarin er mentaal, emotioneel of op fysiek vlak vanuit externen teveel van mij gevraagd wordt. Dan raak ik ‘in paniek’. Ik heb ondertussen wel geleerd dat ik mijn eigen grenzen bepaald, maar mijn lichaam komt als een razende in hyperarousal. Zo ook vanmorgen nog tijdens een les spinning. De instructeur riep: “hop, sneller, harder, opgeven is geen optie, pijn zit in je hoofd”. Als ik mezelf dan niet bij de les houd, dan word ik boos en roep ik in mijzelf opstandig: “donder op, dat bepaal ik zelf wel.” Ik wil graag de controle houden over mijn doen en laten. Daar is niets mis mee zolang dit maar op gezonde wijze gebeurt. Echter, op mijn zeventiende ging ik hiermee het randje over. Zoals de meesten van jullie die deze blog lezen wel weten, ontwikkelde ik op mijn zeventiende de eetstoornis anorexia. Ik voelde me verloren in het leven en had iets nodig om vreugde, afleiding, kracht, controle en bescherming uit te halen. Lang leve de eetstoornis zou je zeggen, want die bood mij in eerste instantie alles van dit. Dat dit slechts één kant van de medaille is, weten we allemaal. Een eetstoornis is alles behalve zaligmakend.

Wat ik tot slot belangrijk vind om aan te geven. Deze turnperiode is niet dé oorzaak voor het ontstaan van latere worstelingen. Genetische aanleg, mijn karakterstructuur, de opvoeding die ik heb gekend en andere ervaringen die ik als kind heb opgedaan spelen hierbij net zo’n grote rol.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply